Op deze pagina vind u informatie over het opleiden van studenten op onze school en een overzicht van stagiaires in de diverse klassen.

In 2002 startte het landelijk ontwikkelproject Opleiden in School (OIS). Er ontstond een nieuwe manier van denken over het opleiden van nieuw en zittend onderwijspersoneel in gezamenlijke verantwoordelijkheid met de opleidingen. De pabo’s van Hogeschool Zuyd in Heerlen en Maastricht gingen samen verder als één Faculteit Onderwijs. Op onderwijskundig gebied is toen ook gekozen voor het ontwikkelen van een nieuw curriculum. Dit heeft geleid tot een nieuwe visie op het opleiden van leerkrachten, verwoord in het Mechelen Curriculum. In september 2006 is dit curriculum van start gegaan met het eerste leerjaar. In september 2007 volgt het tweede leerjaar. In september 2008 is de gehele opleiding vernieuwd. Hiermee sloot de pabo H.S. Zuyd dus aan bij een eerdere ontwikkeling van Opleiden in de School. Op bestuurlijk niveau is dit vastgelegd in het Convenant dat per 1 september 2006 is afgesloten tussen de Faculteit Onderwijs van Hogeschool Zuyd en alle besturen in deze regio. In dit convenant wordt het belang van educatief partnerschap vastgelegd. Het opleiden van leerkrachten is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Besturen zijn verantwoordelijk voor de stageplaatsing, mentoren begeleiden de studenten en schoolopleiders beoordelen de studenten op de werkplek, waarbij de Hogeschool Zuyd de uiteindelijke beoordeling vaststelt. Leden uit het werkveld leveren een bijdrage aan de vernieuwing van het curriculum. Het werkveld heeft invloed op de invulling van het minorenprogramma. Een van de organen waar de nieuwe werkwijze wordt uitgevoerd is de Taakgroep, waarin de bovenschoolse opleiders vanuit alle besturen een structurele bijdrage leveren aan het werkplekleren.
Een vak leer je het beste in de praktijk. Daarom is het goed dat Opleiden in de School er is. Een groot deel van het leerproces speelt zich af op de leerwerkplek. In de klas leer je alles wat je voor het vak nodig hebt. Werkplekleren is de kern van de opleiding; is de basis voor de professionele ontwikkeling van de student. Deze wordt zowel op de werkplek als op de opleiding geconfronteerd met situaties waarin via op de praktijk gerichte leertaken de benodigde competenties worden verworven. In de loop van de opleiding moet de zelfsturing van de student steeds meer toenemen. Onderzoeken en ontwerpen van zijn onderwijs t.b.v. het leren en werken nemen een prominente plaats in. Er wordt gericht gewerkt aan het ontwikkelen van onderzoeksvaardigheden van de student en deze ontwikkelt al werkende zijn eigen leervragen. Deze begeleiding gebeurt op de werkplek door een mentor, die een voorbeeldrol voor de student heeft. Het ontwikkelende en lerende kind staat steeds centraal. Studenten leren het onderwijs te zien als een geheel. Niet alleen als lesjes in de klas. Ze leren te kijken vanuit meerdere perspectieven; het kind, de leerkracht, de ouders, de omgeving. Bovendien zal de student kritisch leren zien naar het werkveld en van daaruit alternatieven aanbieden, ontworpen door de student zelf of door de opleiding. De opleiding kiest voor een thematisch aanpak, met thema’s uit de beroepspraktijk. Thema’s voor pabo 1 zijn: periode 1: In beeld brengen van je zelf (wie ben ik) periode 2: Wat is nu leren? periode 3: Verrijken van de leeromgeving periode 4: Omgaan met verschillen Thema’s voor pabo 2 zijn: periode 1: Schoolorganisatie periode 2: Oriëntatie leeftijddifferentiatie periode 3: Zorg en SO periode 4: Benchmarking Leren heeft in deze tijd een andere betekenis gekregen. Kennis is niet meer vaststaand, maar aan snelle verandering onderhevig. Leren is niet meer op te vatten als ‘verwerven van kennis’ maar eer als ‘leren leren’. De rollen en taken van de scholopleider en de mentoren zijn nog in ontwikkeling. De mentor fungeert in de propedeuse in elk geval als de begeleider van de student, de schoolopleider is de begeleider van de mentoren en beoordelaar van de studenten. Levenlang leren. De professional in het onderwijs zal zich gedurende zijn hele loopbaan blijven ontwikkelen. Op veel scholen werken leraren met een persoonlijk ontwikkelings plan (POP) net als studenten van de lerarenopleiding.
Een van de taken van professional in het onderwijs is het bieden van ondersteuning / coachen van aankomend en zittend personeel (akte van benoeming). Doelen en resultaten die we willen bereiken met Opleiden in School:

  • Er is een deskundige opleidingsfunctionaris in de opleidingsschool. Er wordt een behoorlijke omslag gevraagd van coaches en begeleiders (mentoren en schoolopleiders) De kernactiviteit van de school (onderwijzen van leerlingen) vraagt van de begeleider “coaching on the job” in plaats van adviseren in een kamertje.
  • Studenten krijgen de gelegenheid ervaring op te doen in gevarieerde onderwijsleersituaties. De opleidingsschool moet de student de gelegenheid bieden gevarieerde werkervaring op te doen.
  • De opleidingsschool heeft een goed ontwikkeld personeels- en opleidingsbeleid. De opleidingsfunctie heeft een duidelijke en vaste plek in de schoolorganisatie. De opleidingsschool is voorbereid op het plaatsen, begeleiden en medebeoordelen van maximaal 12 studenten pabo 1 en 2, die op hun beurt bijdragen aan “meer handen in de klas” en inspirerende onderwijsleersituaties.
  • Vakinhoudelijke competenties zijn sterk verankerd in Opleiden in school. Studenten moeten voldoen aan gestelde normen (deficiëntietoetsen voor spelling en rekenen).
  • Opleidingsschool en lerarenopleiding werken intensief samen. Er zijn afspraken gemaakt tussen opleidingsschool en opleidingsinstituut over welke competenties die het best waar geleerd kunnen worden. Afspraken over inzichten van begeleiding en beoordeling en over de bekostiging van de bijdrage die de opleidingsschool levert.
  • Tussentijdse beoordeling en afsluiting van het opleidingstraject zijn transparant en persoonsonafhankelijk. In het Convenant is de samenwerking concreet beschreven.
  • Taken van mentoren en schoolopleiders staan beschreven in het handboek werkplekleren dat jaarlijks wordt geëvalueerd en bijgesteld.
  • Schoolopleiders ontmoeten elkaar regelmatig tijdens intervisiebijeenkomsten.
  • Nieuwe en ervaren schoolopleiders nemen deel aan training coachvaardigheden.
  • Schoolopleiders hebben zitting in schrijfgroepen voor de invulling van de diverse thema’s.
  • Schoolopleiders nemen deel aan de thema-informatiebijeenkomsten op de Hogeschool Zuyd.
  • Schoolopleiders informeren per periode van 10 weken hun mentoren over het thema en de stageopdrachten. (zie jaarplanning)
  • Schoolopleiders organiseren intervisiebijeenkomsten met de mentoren op de opleidingsschool.
  • Alle betrokkenen nemen deel aan de jaarlijkse “startmanifestatie” (12 maart 2008)
  • Schoolopleiders beoordelen eerste en tweede jaarsstudenten vier keer per jaar.
  • Schoolopleiders voeren gesprekken met studenten, mentoren, studieloopbaan-begeleiders van de opleiding (SLB-ers)
  • Schoolopleiders plaatsen ( eventueel in overleg met directies of management team) de studenten van het eerste en tweede studiejaar.
  • Lerarenopleidingen en besturen voorzien in werkplekleren en organiseren een stageritmiek waarin studenten gedurende de A- en C- weken op donderdag en gedurende de B-week vier dagen (ma. t/m do.) begeleid meefunctioneren in de opleidingsschool.
  • Stageopdrachten zijn zodanig ingericht dat de student a.h.w. op de werkplek leert en op grond van reflectie nieuwe leervragen formuleert.
a. Zeggen wat we doen (Convenant) b. Doen wat we zeggen (wat is zichtbaar in de praktijk) c. Hoe is de kwaliteit van Opleiden in School? (kwaliteitsborging) Ad.a : Terug te vinden in het INNOVO jaarplan Opleiden in School en het INNOVO Handboek Opleiden in school. Ad.b : Zie punt 4 concrete werkwijze. Dit schooljaar zijn er bij INNOVO 11 schoolopleiders inge-zet om ieder maximaal 12 studenten te beoordelen. Voor onze school is dat:Paola Wouters, deze schoolopleider beoordeelt op onze school 6 eerste en 3 tweede jaars Pabo studenten van Hogeschool Zuyd. Ad.c : Hoe is de kwaliteit van de werkplek? Om de kwaliteit van de opleiding te waarborgen is een inspanningsverplichting van alle betrokkenen, vanaf de begeleiding op de werkplek tot en met de besturen van de scholenstichtingen en de opleiding, noodzakelijk. Persoonlijke ontwikkelingsprocessen van zowel studenten als begeleiders en andere leerkrach-ten ten dienste van schoolontwikkeling staan centraal. Partners willen gaan werken met een cyclus van kwaliteitsborging: – Visitatie basisscholen (mentorenenquête) – Uitwerking van het Convenant – Werkplekleren (monitoren) Doel van kwaliteitsborging is te visualiseren dat de kwaliteit goed is. Wie is waar verantwoordelijk voor? De stuurgroep is verantwoordelijk voor het opzetten van een goed systeem van kwaliteitsbor-ging. Opleiden in School creëert een “win-win-situatie” voor alle partijen.